HuurrechtParticulier

De belastingdienst heeft onterecht inkomensgegevens verstrekt aan verhuurders

By 14 november 2018 No Comments
Belastingdienst

Huurders opgelet! Heeft u vanaf 16 maart 2013 tot 1 april 2016 een extra inkomensafhankelijke huurverhoging betaald aan uw verhuurder? Dan heeft u misschien recht op schadevergoeding.

Onlangs heeft de rechtbank Den Haag namelijk in haar uitspraak van 24 april 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:5386) geoordeeld dat de Belastingdienst in de periode van 16 maart 2013 tot 1 april 2016 geen inkomensgegevens had mogen verstrekken aan verhuurders. Dat zit namelijk zo.

Ingevolge artikel 67 lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is het een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990 (geheimhoudingsplicht).

Met andere woorden, als hoofdregel geldt dat de Belastingdienst gegevens die hij bij zijn taakuitoefening heeft verkregen niet aan derden mag verstrekken. De Belastingdienst heeft dus een geheimhoudingsplicht. De ratio hierachter is dat de Belastingdienst ruime wettelijke bevoegdheden heeft om privacygevoelige informatie over belastingplichtigen te verzamelen en dat belastingplichtigen gehouden zijn die bij hen opgevraagde gegevens te verschaffen.

In artikel 67 lid 2 sub a AWR staat dat die geheimhoudingsplicht niet geldt indien enig wettelijk voorschrift tot verstrekking van informatie verplicht.

Op grond van het wetsvoorstel ‘inkomensafhankelijke huurverhoging’ van het ministerie Wonen & Bouwen (wetvoorstel 33 330) hebben verhuurders in 2013 massaal aan de Belastingdienst verzocht om een inkomensverklaring over hun huurders te verstrekken om een extra inkomensafhankelijke verhoging door te voeren. De Belastingdienst heeft die inkomensverklaringen aan de verhuurders verstrekt.

Maar pas vanaf 1 april 2016 is artikel 7:252a lid 3 BW daadwerkelijk gewijzigd, in die zin dat daarin thans uitdrukkelijk is bepaald dat de inspecteur de inkomensverklaring dient te verstrekken (Stb. 2016, 124, 125). Per 1 januari 2017 is deze verplichting verplaatst naar artikel 7:252a lid 4 van het BW. De Belastingdienst verstrekt daardoor vanaf 1 april 2016 de inkomensgegevens aan verhuurders op grond van een wettelijke verplichting.

In die periode daarvoor, dus van 16 maart 2013 tot 1 april 2016, bestond er echter geen wettelijke verplichting voor de Belastingdienst om inkomensgegevens van een huurder van een sociale huurwoning te verstrekken aan de verhuurder als de verhuurder daarom vraagt.

De rechtbank heeft in zijn uitspraak het volgende hierover geoordeeld:

“Zoals hiervoor overwogen strekt in deze zaak het verzet van artikel 40 Wbp zich niet uit over de verstrekking van inkomensgegevens die voor het indienen van het verzet heeft plaatsgevonden. Met de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016 staat echter vast dat die verstrekking ook in de onderhavige zaak is geschied in strijd met het in artikel 67, eerste lid van de Awr neergelegde verbod voor de Belastingdienst om gegevens die de Belastingdienst bij zijn taakuitoefening heeft verkregen aan derden te verstrekken. Nu het bestuursrecht via de weg van het verzet hiervoor geen adequaat rechtsmiddel biedt, stelt de rechtbank zelf de onrechtmatigheid van de gegevensverstrekking vast onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016. Anders dan verweerder heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat die onrechtmatigheid niet eerst is ontstaan door de uitspraak, dus per 3 februari 2016, maar heeft bestaan in de periode van 16 maart 2013 tot 1 april 2016, omdat de Afdeling heeft vastgesteld dat in die periode geen wettelijke verplichting voor de Belastingdienst bestond om de inkomensverklaringen aan de verhuurder te verstrekken en na 1 april 2016 door de wetswijziging wel. Gelet op deze onrechtmatigheid is het beroep, gericht tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding, gegrond”.

Wat heeft deze uitspraak tot gevolg voor de huurders die in die periode een inkomensafhankelijke huurverhoging hebben betaald? Zij hebben wellicht recht op schadevergoeding. In de uitspraak van de rechtbank kreeg de huurder een schadevergoeding van € 554,10. Dat was namelijk de huur die hij in die periode teveel had betaald aan zijn verhuurder, omdat de Belastingdienst onterecht een inkomensverklaring aan de verhuurder had verstrekt. Had de Belastingdienst die informatie namelijk niet verstrekt aan de verhuurder, dan was de huurprijs niet extra gestegen met de inkomensafhankelijke huurverhoging.

Afhankelijk van de huur die u heeft betaald in die periode heeft u wellicht recht op een hoger of lager bedrag aan schade. Op de site van de woonbond staat een modelbrief die u kunt zenden naar de Belastingdienst. Met die brief stuit u direct de verjaring van uw vorderingen van 2013 tot en met 2016. Ook kunt u op die site een Excelbestand vinden om de hoogte van uw schade te berekenen.

De Belastingdienst is inmiddels bij de Raad van State in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank. Tot de uitspraak van de Raad van State is de Belastingdienst niet verplicht om uw schade te betalen. Mocht de Raad van State echter wederom de Belastingdienst in het ongelijk stellen, dan heeft u een grote kans dat de Belastingdienst uw schade zal betalen.

Lorenzo Pelswijk

Lorenzo M.J. Pelswijk (1983) studeerde Nederlands recht aan de Universiteit van Amsterdam alwaar hij zijn master Privaatrecht behaalde. Tijdens zijn studie heeft hij stage gelopen bij het T.M.C. Asser Instituut in Den Haag. Na voltooiing van zijn studie heeft Lorenzo gewerkt bij een advocatenkantoor en de nodige proceservaring opgedaan bij een deurwaarderskantoor alvorens de advocatuur in te stappen.

Leave a Reply